Vragen over pensioen

Vragen over pensioen

Wat is een rekenrente? Of dekkingsgraad? Deze en nog zeven pensioenvragen beantwoord
Waarom moet een pensioenfonds ‘korten’? Dat heeft alles te maken met het verdelen van de lasten bij het verbeteren van de dekkingsgraad.

1. Hoe komen pensioenfondsen aan hun geld?
Pensioenfondsen zijn beheerders van het geld van hun deelnemers. Dat zijn werknemers die tijdens hun werkzame leven maandelijks een bedrag (premie) inleggen. De werknemer betaalt ongeveer een deel van de premie en de werkgever een deel. Het geld wordt ingehouden op het maandelijkse salaris. Pensioen wordt daarom ook wel uitgesteld loon genoemd, het is salaris dat na het werkzame leven wordt uitgekeerd.
Pensioenfondsen beheren zodoende enorme vermogens. Opgeteld ruim 1.400 miljard euro, bijna twee keer de omvang van de economie. Een astronomisch bedrag, de som van circa 18 miljoen spaarpotjes (van werkenden en gepensioneerden – sommigen hebben bij een aantal pensioenfondsen gespaard), per spaarpot gemiddeld bijna 80 duizend euro. Dit gemiddelde zegt tegelijkertijd weinig over het individuele spaarpotje, dat is bij starters gevuld met dubbeltjes en bij bijna gepensioneerden met briefjes van duizend.

2. Wat doen pensioenfondsen met het geld dat ze in kas hebben?
Fondsen beleggen hun miljoenen (de miljoenen van de werknemers) in aandelen en obligaties (staats- en bedrijfsleningen) om die berg aan vermogen nog groter te maken. De opbrengsten van deze beleggingen zijn naast de premies de belangrijkste inkomstenbron van de fondsen. Dankzij die beleggingen krijgen deelnemers uiteindelijk een hogere uitkering dan wat zij aan premie hebben ingelegd. Hoeveel een deelnemer krijgt is vooral afhankelijk van hemzelf: van zijn carrière gedurende zijn werkzame leven en het aantal jaren dat hij daarna nog leeft.
Pensioen kent geen einddatum, deelnemers krijgen een vast bedrag per maand vanaf het moment dat zij stoppen met werken tot aan hun dood. Dit is mogelijk doordat pensioen collectief wordt gespaard. Fondsen rekenen met gemiddelde levensverwachtingen. De gespaarde euro’s van de vrouw die sterft op haar 70ste gaan terug in de pot, zodat de man die honderd wordt kan worden betaald.

3. Wat is indexeren en waarom is dit al jaren niet gebeurd?
Wanneer een fonds goede beleggingsresultaten behaalt en het vermogen flink groeit, kunnen de deelnemers daarvan profiteren. Decennialang groeiden de pensioenen mee met de prijzen. In de jaren negentig was een waardevast geïndexeerd pensioen een zekerheid. Dan steeg het pensioen mee met de inflatie. Soms was het zelfs welvaartsvast als het de cao-loonstijging volgde. 
Daar kwam in 2001, tijdens de beurskrach die bekendstaat als de ‘internetbubble’ een einde aan. Veel pensioenregelingen werden daarna versoberd. De situatie werd penibel door de financiële crisis die in 2008 begon. Beleggingen leverden veel minder op, de rente (zie vraag 6) zette een duikvlucht in die nog steeds voortduurt en als klap op de vuurpijl bleek de levensverwachting van 65-plussers op te lopen, waardoor pensioenen langer moeten worden uitbetaald. Sinds 2008 zijn de pensioenen bij de meeste fondsen niet of nauwelijks verhoogd.

4. Wat is de dekkingsgraad en waarom is het belangrijk dat deze hoog blijft?
Aan de ene kant staat een berg geld, aan de andere kant staan gepensioneerden en werknemers die (nu en straks) maand in, maand uit recht hebben op een emmer munten uit die berg. Als de deelnemers van een fonds met hun emmers een piramide zouden bouwen en die piramide hoger is dan de berg geld van het fonds, dan is er een probleem met de dekkingsgraad.
Een dekkingsgraad van 100 procent betekent dat geldberg en emmertjespiramide even hoog zijn: het fonds heeft evenveel (belegd) vermogen in kas als er verplichtingen uitstaan richting deelnemers. Toch mag een pensioenfonds de pensioenen van ouderen en de pensioenaanspraken van werkenden dan niet zomaar verhogen. Pas als een fonds meer dan +/- 124 procent van de toegezegde pensioenen in kas heeft, mogen de pensioenen worden verhoogd. 
Is er minder in kas, dan mag dat gedeeltelijk. Is er minder dan 110 procent in kas, dan komt een fonds in de gevarenzone. Dat wil zeggen dat de pensioenen worden ‘bevroren’ of, als het er vijf jaar slecht voor staat (minder dan 104 procent dekking), worden verlaagd. Dat verlagen kan ook als er plots minder dan 90 procent van de beloofde pensioenen in kas is. Tenminste, dat zijn de huidige regels. Die staan ter discussie door het ‘pensioenakkoord’ dat vakbeweging, werkgevers en kabinet in juni sloten.  

5. Waarom moet een pensioenfonds korten op het pensioen?
De mogelijkheid om pensioenen naar boven bij te stellen is al jaren buiten bereik van veel pensioenfondsen, steeds vaker dreigt zelfs een ‘korting’, het verlagen van de pensioenen. Wanneer er meer emmertjes zijn dan munten om ze mee te vullen – een dekkingsgraad die onder de 104 procent zakt – kan een fonds daar grofweg op twee manieren mee omgaan. De emmertjes kleiner maken of de geldberg groter.
In het eerste geval treft dit alle deelnemers, gepensioneerden en werkenden. Iedereen levert een beetje van zijn opgebouwde pensioenrechten in, zodat de geldberg de (kleinere) emmertjes weer tot de rand kan vullen. De pijn is het meest tastbaar voor gepensioneerden, zij zien van de ene op de andere dag hun inkomen achteruitgaan. Werkenden ervaren minder dat hun spaarpotje kleiner wordt, omdat ze er nog geen geld uit ontvangen.
Des te meer merken werkenden het wanneer een fonds kiest voor het groter maken van de geldberg. Zij moeten meer premie betalen om het tekort weg te werken. Zo gek zou dat trouwens niet zijn, want veel pensioenfondsen heffen eigenlijk een te lage premie: ze geven vaak voor 75 eurocent premie een euro aan pensioenaanspraken.
Fondsen maken in het najaar bekend of de premie het volgende jaar omhoog gaat. Zo’n besluit leidt tot gemor onder deelnemers, maar de tumult is mogelijk nog groter wanneer pensioenen worden gekort. Korten is eerlijker, de pijn wordt door iedereen gedeeld, maar de gepensioneerden die letterlijk hun inkomen zien dalen laten luider van zich horen bij de helpdesks van de fondsen dan de werkende deelnemers die van die korting nog niet veel merken.
Inmiddels lijken beide maatregelen voor sommige fondsen onvermijdelijk. Vorig jaar kondigde ambtenarenfonds ABP, een van de grootste fondsen, aan dat voor het derde jaar op rij de premie omhoog ging ‘omdat pensioen duurder is geworden’. Halverwege september van dit jaar meldde ABP dat het ‘heel serieus rekening houdt’ met een verlaging van de pensioenen. De dekkingsgraad van het fonds is 88,6 en moet voor 31 december naar 94,3 om niet te hoeven korten, een haast onmogelijke opdracht omdat de rente sindsdien is gedaald.

6. Wat wordt bedoeld met ‘de rente’?
Wanneer wordt gesproken over ‘de rente’ gaat het meestal over het rentetarief van de Europese Centrale Bank (ECB). Eigenlijk gaat het over twee rentetarieven: de rente voor het lenen van geld en die voor het stallen van geld. Sinds 2008 heeft de ECB het eerste tarief in stappen verlaagd naar 0 procent. Geld lenen is voor de banken dus gratis. De gedachte hierachter is dat banken dat geld tegen een laag tarief doorlenen aan bedrijven en particulieren, die het vervolgens laten rollen. De hoop is dat al dat goedkope krediet de economie aanzwengelt en vervolgens de inflatie (die al jaren laag is) weer gaat stijgen.
De ECB probeert de inflatie (een beetje) aan te wakkeren. Geldontwaarding (of prijsstijging) van 2 procent zou als smeerolie voor de economie werken. Als producten langzaam duurder worden en het geld dus langzaam minder waard, stimuleert dat het doen van uitgaven, want oppotten kost alleen maar geld. Nog een positief effect: schulden krimpen dankzij inflatie. Door lenen goedkoop te houden en op grote schaal geld in de economie te pompen via het opkopen van staatsobligaties poogt de ECB uit alle macht de economie aan de praat te houden.
Sinds een aantal jaren daalt ook het tweede tarief van de ECB: de depositorente. Dit is het tarief waartegen banken hun geld kortdurend kunnen stallen bij de centrale bank. De depositorente is al enkele jaren negatief: banken betalen om hun overtollige geld onder te brengen bij de ECB. Onlangs verlaagde de ECB dit tarief van -0,4 naar -0,5 procent. Samengevat: geld lenen is gratis, geld sparen kost geld. Beide zijn prikkels om geld uit te lenen aan bedrijven en particulieren.

7. Waarom is die rente van invloed op onze pensioenen?
Pensioenfondsen zitten op een grote berg geld in een tijd waarin sparen niets oplevert of zelfs geld kost. Zij moeten hun verplichtingen – de toegezegde pensioenen – berekenen met de dagrente. De ECB-maatregelen zijn dus slecht nieuws voor de dekkingsgraden van de pensioenfondsen (de geldberg versus de emmertjespiramide). 
Tegelijkertijd zijn pensioenfondsen gebonden aan een ‘rekenrente’. Toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB) formuleert een risicovrij rendement waarmee fondsen moeten rekenen, zodat ze niet alleen nu maar ook op lange termijn genoeg geld in kas houden. Voor die rekenrente stelt DNB maandelijks een reeks op van nul tot honderd jaar. Voor elk jaar wordt een tarief vastgesteld. Tot honderd jaar omdat de pensioenfondsen een lange ‘horizon’ hebben. Vergelijk het met de rentetarieven bij het afsluiten van een hypotheek. Hoe korter de looptijd, hoe lager de rente.
Eind augustus verordonneerde DNB dat de fondsen over de eerste 17 jaar met een negatieve rente moeten rekenen. Hoe snel de rente daalt: eind juli was dat nog ‘maar’ over de eerste negen jaar.

8. Wat heeft de politiek te zeggen over pensioenfondsen?
De politiek maakt de wettelijke kaders, de ‘spelregels’ voor de pensioenfondsen, maar staat verder grotendeels buitenspel. Pensioenfondsbesturen bestaan uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, zij waken samen over het geld van de werknemers. Zij stippelen het beleid uit, bijvoorbeeld de keuze tussen een hogere premie, het bevriezen of het korten van de pensioenen.
Uiteraard proberen politici zich wel met het pensioenbeleid te bemoeien. Door de spelregels aan te passen, kan de wetgever pensioenfondsen meer of minder ruimte geven. Stel een minimumrekenrente vast, zegt 50Plus bijvoorbeeld. Het werkelijke rendement van de beleggingen is hoger dan de risicovrije rekenrente waar fondsen aan zijn gebonden, de regels mogen daarom volgens Henk Krol wel wat soepeler. Krol vindt al jaren geen gehoor bij opeenvolgende kabinetten, die niet willen afwijken van het onafhankelijke advies van DNB.
De meeste partijen gaan niet zo ver als 50Plus, maar zorgen over de pensioenen worden in Den Haag breed gedeeld. Onder aanvoering van CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt stuurde de Tweede Kamer begin september zelfs een brief naar ECB-president Draghi vanwege de negatieve gevolgen van het ECB-beleid op de Nederlandse pensioenenvermogens.
De politiek (lees: de minister van Sociale Zaken) is als partij ook betrokken bij onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden over een stelselwijziging. Begin juni sloten werkgevers en bonden een pensioenakkoord, met daarin onder andere afspraken over een andere manier van pensioen opbouwen voor jongeren en een minder zekere pensioenuitkering. Een van de voornemens was om kortingen zoveel mogelijk te voorkomen, maar de inkt van het akkoord was nog niet droog of fondsen kondigden aan dat zij waarschijnlijk zullen moeten gaan korten. Het pensioenakkoord is vooralsnog grotendeels in potlood geschreven. Een stuurgroep van werkgevers en werknemers gaat de plannen het komende jaar uitwerken.

9. Als de pensioenen niet groeien of zelfs dalen, hoe kan het dan dat ook gepensioneerden er in de koopkrachtplaatjes van het kabinet op vooruitgaan?
In de discussie over pensioenen wordt vaak een groot deel van het inkomen van ouderen vergeten: de AOW, de collectieve oudedagsvoorziening. Alleenstaanden krijgen bruto zo’n 1.200 euro per maand uit de staatskas, gepensioneerde stellen per persoon ongeveer 800 euro. In tegenstelling tot de pensioenen groeit de AOW wel mee met de inflatie. 
De AOW is voor iedereen gelijk en wordt uitgekeerd aan alle Nederlanders die de AOW-leeftijd bereiken. Alleen mensen die een periode in het buitenland hebben gewoond, krijgen op latere leeftijd minder AOW.  Het kabinet kan de koopkracht van AOW’ers op peil houden door aan belastingtarieven te morrelen. Dat gebeurt jaar in, jaar uit. Ook in 2020. Zo komen ouderen gemiddeld niet zo slecht uit de koopkrachtplaatjes.
 
Bron: De Volkskrant Joost de Vries en Gijs Herderscheê 23 september 2019
 

Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je dan nu in voor de nieuwsbrief